Naar inhoud

Topsport als het ultieme voorbeeld van talentontwikkeling

Chauvinistisch als wij Nederlanders zijn, volgen we momenteel massaal de verrichtingen van onze landgenoten tijdens de Olympische Spelen in Pyeongchang. Vol bewondering kijken we naar topsporters die vier jaren noeste trainingsarbeid om willen zetten in eremetaal. Meedoen is belangrijker dan winnen, dat was ooit het credo van het sportspektakel. Maar met de huidige commerciële belangen is presteren een must. De weg van talent naar het podium is dan ook vooral hard werken, waarbij zelfregulatie een belangrijke rol speelt. Topsport is daarom voor bedrijven en instellingen het ultieme voorbeeld van talentontwikkeling.

In het boek ‘Goud in elk kind’ beschrijven Laura Jonker, Marije Elferink-Gemser en Chris Visscher het belang van zelfregulatie in de ontwikkeling van sporttalent naar topsporter. Een sporttalent is vaak beter in trainingen en wedstrijden dan leeftijdsgenoten en heeft de potentie om de top te halen. Meestal is binnen een talentgroep duidelijk wie ‘de beste’ is, maar hoe bepalen we potentie? Vijf jaar onderzoek naar reflectie, als onderdeel van zelfregulatie, toont aan dat reflectie belangrijk is in de ontwikkeling van sporttalent naar topsporter. Sporttalenten die op basis van ervaringen doelen stellen, verbeteren vaak meer en hebben een grotere kans om de top te halen. Omdat reflectie trainbaar blijkt, is het belangrijk reflectie voor talentontwikkeling te stimuleren. Ook reguliere jongens die meer dan drie uur per week sporten, scoren hoger op zelfregulatieve vaardigheden dan hun leeftijdsgenoten die minder sporten. Zes kaders illustreren deze bevindingen.

Kader 1. Sportprestaties

Het samenspel tussen kenmerken van de taak, persoonsgebonden prestatiebepalende factoren en de omgeving, kan worden geïllustreerd aan de hand van volleybal en turnen. Voor volleyballers is het voordelig om lang te zijn, terwijl turners voordeel hebben wanneer zij klein zijn. Volleyballers gaan vaak met een algemene teamtactiek en eventueel met persoonlijke opdrachten het veld in. Zij moeten in een split second beslissen welke actie het beste is waarbij de tegenstander invloed uit kan oefenen op de keuzes. Turners gaan met een vooraf gerepeteerde strategie hun oefening in en doen aanpassingen alleen op basis van persoonlijke overwegingen.

Naast het samenspel tussen de taak en persoonsgebonden prestatiebepalende factoren, speelt ook de omgeving een belangrijke rol in het behalen van goede prestaties. Zo worden verplichtingen op school vaak afgestemd op het training- en wedstrijdrooster om optimaal te kunnen presteren, zijn er andere verwachtingen ten aanzien van eerste- en tweedejaars sporttalenten in een competitiestructuur die vaak gekenmerkt wordt door dubbele jaargangen zoals bijvoorbeeld eerste- en tweedejaars B-jeugd, spelen ouders een belangrijke rol in de ontwikkeling van het sporttalent en hebben trainers een grote invloed op de ontwikkeling van de prestatiebepalende factoren.

Sporttalenten die nu de beste sportprestatie leveren, worden niet vanzelfsprekend ook de beste bij de senioren.

Kader 2. Zelfregulatie

Zelfregulatie is cyclisch en daarom is het niet mogelijk een startpunt van het proces aan te geven. Het makkelijkst is om te starten met de metacognitieve vaardigheid reflectie. Op basis van kennis en ervaringen uit het verleden wordt een leer- of prestatiedoel gesteld. Een goed voorbeeld is voetballer Pierre van Hooijdonk. Hij heeft beseft dat zijn kracht ligt in het nemen van vrije trappen en dat hij hiermee de meeste kans maakt om een belangrijk man voor Feyenoord te worden en een plaats te krijgen in het Nederlands elftal (reflectie). Daarom komt hij, voorafgaand aan iedere training, twintig minuten eerder om zijn vrije trap te oefenen (plannen). Tijdens het nemen van de vrije trappen houdt hij bij met hoeveel van de vrije trappen hij scoort (monitoren). Achteraf evalueert hij zowel het resultaat als de keuze om zich voorafgaand aan trainingen te focussen op het nemen van vrije trappen. In deze metacognitieve cyclus spelen de motivationele kenmerken inzet (het doel willen halen en je ervoor inzetten) en self-efficacy (vertrouwen in het kunnen halen van het doel) een belangrijke rol.

Het stellen van doelen en ontvangen van feedback lijken een voorwaarde voor de ontwikkeling van zelfregulatie.

Kader 3. Schoolprestaties

Lang is gedacht dat sport en onderwijs niet goed samengaan. De tijd die sporttalenten aan training moeten besteden om beter te worden, zou ten koste gaan van de tijd die zij aan school en huiswerk kunnen besteden. Toch blijken sporttalenten vaker dan het landelijke gemiddelde een opleiding op havo- of vwo-niveau te volgen zonder dat ze daarbij vaker blijven zitten of slechtere cijfers halen. In vergelijking met circa twintig jaar geleden is het percentage sporttalenten dat een carrière in de sport combineert met onderwijs op havo- of vwo-niveau, nog verder toegenomen. Waarschijnlijk zijn sporttalenten in staat hun zelfregulatieve vaardigheden niet alleen te gebruiken om beter te worden in de sport, maar zetten zij deze vaardigheden ook in om te voldoen aan de eisen die op school worden gesteld.

Vooral het gebruik van reflectie op het moment rondom de overstap van de junioren naar de senioren, blijkt cruciaal.

Kader 4. Doelen stellen en feedback

Wanneer een jong kind een bal en een goal ziet, is het in staat te bepalen dat hij of zij de bal het liefst in de linker bovenhoek wil schoppen (korte termijn doel). Wanneer de bal geschoten is, krijgt het kind zowel feedback van de bal (de bal gaat over) als van de trainer die zegt dat het kind het bovenlichaam meer voorover moet houden om de bal te kunnen drukken. Ondanks dat verondersteld wordt dat op hoger sportniveau de kwaliteit van de trainers beter is en dat de doelen die gesteld worden uitdagender zijn, kunnen ook reguliere jongeren in de sportcontext hun voordeel doen.

Onderzoek binnen het onderwijs wijst uit dat zelfregulatieve vaardigheden trainbaar zijn door het individu verantwoordelijk te maken voor het eigen leerproces binnen kaders.

Kader 5. Het stimuleren van zelfregulatie als trainer

  • Fase 1. Reflecteren en doelen stellen

Help als trainer het sporttalent na te laten denken over wat hij of zij goed kan en waar de aankomende periode tijdens trainingen de nadruk op zal gaan liggen. Dit kan een trainer doen door constant vragen te stellen als: ‘Waar ben je goed in?’, ‘Wat wil je graag verbeteren?’, ‘Wat wordt dan het doel?’. Afhankelijk van de capaciteiten van het sporttalent op reflectief gebied, kan er gesproken worden over doelen op lange termijn (‘Wat kan ik over tien weken?’), middellange termijn (‘Wat kan ik over een maand?’) of korte termijn (‘Wat kan ik aan het einde van deze training?’). Voor sporttalenten is het eenvoudiger bij het stellen van kortetermijndoelen te starten. Daarnaast is het belangrijk dat het talent progressie ziet richting het doel (feedback op proces). Stel dus doelen vast die zichtbaar zijn. Een voorbeeld hiervan is het scoren van meer goals tijdens het oefenen van de vrije trap zoals Pierre van Hooijdonk, gevolgd door het scoren van meer goals vanuit de vrije trap in wedstrijden en mogelijk daardoor een basisplaats in het team.

  • Fase 2. Plannen

Help als trainer het sporttalent na te laten denken over hoe het gestelde doel behaald kan worden. Vragen als: ‘Hoe zou je dit zelf aan willen pakken?’, ‘Welke andere dingen of mensen heb je daarbij nodig?’, ‘Welke oefenvormen hebben we weleens gedaan waarmee we jouw doel trainen?’, helpen het sporttalent om hierover na te denken. Stel vervolgens samen met het sporttalent een planning en de oefenvormen vast. Veel sporttalenten hebben moeite met het opstellen van een planning per training, laat staan over tien weken. Daarnaast zijn ze niet gewend om inspraak te hebben in de trainingsvormen.

  • Fase 3. Monitoren

Ook in deze fase helpt de trainer het sporttalent na te denken over of de strategie nog klopt en of er voortgang is richting het doel. Wederom is het stellen van vragen de sleutel. Hierbij kan gedacht worden aan vragen als: ‘Dragen de oefeningen die we doen bij aan het behalen van je doel?’, ‘Zijn er nog andere dingen die we moeten trainen, zodat je jouw doel gaat halen?’. Daarnaast is dit een belangrijke fase voor de trainer om feedback te geven op het prestatieproces.

  • Fase 4. Evalueren

De trainer helpt het sporttalent evalueren op zowel het proces (‘Wat heb ik gedaan om mijn doel te bereiken?’) als het eindproduct (‘Heb ik mijn doel gehaald?’). Ook in deze fase ondersteunt de trainer al sturende aan de hand van vragen: ‘Ben je bewust bezig geweest met het halen van je doel?’, ‘Vind je zelf dat je jouw doel gehaald hebt?’, ‘Hebben we de juiste strategie gekozen om jouw doel te halen?’, ‘Wat moeten we volgende keer anders doen?’.

  • Fase 5 en 6. Inzet en self-efficacy

Om inzet en vertrouwen in het proces te borgen is het belangrijk dat de trainer voortgang richting het doel inzichtelijk maakt voor het sporttalent. Help het sporttalent de vooruitgang te zien en geef feedback op aspecten die goed gaan. Uiteraard is in het hele proces de sfeer en het blijven trainen belangrijk.

De rol van de ouders in de ontwikkeling van het individu is groot.

Kader 6. Wat kunnen sporttalenten doen om zichzelf te motiveren tot reflectie?

Sporttalenten kunnen verschillende dingen doen. Allereerst het proces bijhouden zoals omschreven. Dit kan bijvoorbeeld in een schrift zoals voetballer Ruud van Nistelrooy dat gedaan heeft. Daarnaast gaat betrokkenheid tijdens trainingen en wedstrijden verder dan het alleen of gezamenlijk opstellen van persoonlijke doelstellingen. Dingen die je tijdens trainingen zou kunnen doen zijn: eerder, maar op zijn minst op tijd komen op trainingen; kijken wat trainingsgenoten doen bij oefeningen en bedenken wat jij ervan kunt leren; vragen aan de trainer waarom een bepaalde oefening gedaan wordt en wat hij of zij van je verwacht; jouw teamgenoten (vriendelijk) coachen richting hun leerdoelen. Je kunt de trainer voorstellen dat jij een keer een gedeelte van de training invult om richting jouw leerdoelen te trainen.

Daarnaast moeten sporttalenten zich bewust worden dat dit proces ook succesvol is in andere prestatiedomeinen. Ze moeten leren zelfstandig of onder begeleiding dit proces toe te passen op school en later in hun leven. Het is in de sport niet anders om een leerdoel te stellen op basis van jouw eigen sterke en zwakke kanten dan op school. Stel jezelf vragen als: ‘Wat weet ik al over de lesstof?’, ‘Wat gaat de docent mogelijk vragen?’, ‘Hoever moet ik morgen zijn met leren?’.

Binnen de talentontwikkeling moet het belang van reflectie voor de sport erkend worden.

Laura Jonker is één van de sprekers tijdens 'Next Leadership in 1 Day', het evenement dat op donderdag 8 maart 2018 plaatsvindt op Landgoed Leusderend in Leusden. Op deze dag worden jou de handvatten aangereikt om de processen, die ingrijpend veranderen door de digitale transformatie, effectief te managen. Dat gebeurt gedurende verscheidene interactieve sessies aan de hand van succesvolle praktijkvoorbeelden uit het bedrijfsleven, de non-profit-sector en de sport.

Bron: CustomerTalk
0

Reacties

Logo CustomerTalk

Cookie-instellingen

CustomerTalk maakt gebruik van cookies voor een optimale gebruikerservaring.

Graag vragen wij je toestemming voor het plaatsen van deze cookies.

Accepteren Meer informatie