Naar inhoud

Duurzame energie beschouwen als bijzonder kansrijke markt

Aandacht voor duurzame energie is niet alleen noodzakelijk om de opwarming van de aarde tegen te gaan, het genereert ook een sector met vele mogelijkheden. De hernieuwbare energieopwekking in Nederland gaat sneller groeien, de energiebesparing neemt toe en het energieverbruik neemt af. Verder daalt de uitstoot van broeikasgassen daalt tot 2030 substantieel. En de werkgelegenheid in duurzame energieactiviteiten neemt toe. Op decentraal niveau werken gemeenten en provincies dan ook steeds meer samen aan plannen voor de energietransitie.

Duurzame energievoorziening

De praktijk blijkt desalniettemin weerbarstig want verschillende doelen voor energie en klimaat worden in 2020 niet gehaald. Ook is duidelijk dat de ontwikkelingen in de Nederlandse energiesector en haar uitstoot lastig te sturen zijn omdat de sector onlosmakelijk is verbonden met het buitenland. De horden op weg naar 2020 en naar een duurzame energievoorziening op termijn vragen de komende periode om heldere beleidskeuzes.

Feitenbasis maatschappelijk debat

Dit zijn de belangrijkste conclusies en observaties uit de ‘Nationale Energieverkenning 2017’ (NEV). Dit rapport, opgesteld door ECN, Planbureau voor de Leefomgeving en het CBS, geeft jaarlijks de feitenbasis voor de politieke besluitvorming en het maatschappelijk debat in Nederland over energie en klimaat. Zo kan de NEV dit jaar gebruikt worden bij de uitwerking van het regeerakkoord van het kabinet Rutte III.

Grote onzekerheden in ramingen

Naast aandacht voor de belangrijkste energie- en klimaatdoelen gaat deze NEV in op nieuw energiebesparingsbeleid in de gebouwde omgeving en de industrie en is een begin gemaakt met het in beeld brengen van ontwikkelingen bij decentrale overheden. Verder is de ontwikkeling van de Nederlandse elektriciteitssector bekeken in het licht van verschillende scenario’s voor de ontwikkelingen buiten Nederland. Deze illustreren de grote onzekerheden waarmee de ramingen in algemene zin gepaard gaan.

Groei hernieuwbare energie

Het aandeel hernieuwbare energie groeit volgens de verkenning van 6 procent in 2016 naar 12,4 procent in 2020 en 16,7 procent in 2023; respectievelijk 13,0 procent en 17,3 procent conform rekenmethode ‘werkelijke productie’. Het doel van 14 procent voor 2020 wordt daarmee niet gehaald, maar het doel van 16 procent voor 2023 wel. Voor 2020 zijn er ten opzichte van de vorige NEV mee- en tegenvallers. Zo verwachten de opstellers onder meer een voorspoediger groei van zonnestroom tegen een wat lagere productie van windenergie. Tot 2030 kan het aandeel hernieuwbare energie toenemen tot circa 24 procent. Dat veronderstelt wel dat de huidige stimulering van hernieuwbare energie (SDE+) vanaf 2020 wordt voortgezet.

Elektriciteit uit hernieuwbare bron

De verkenning laat zien dat de groei in hernieuwbare elektriciteit snel gaat. Deze kan in 2025 al ongeveer de helft uitmaken van de totale Nederlandse elektriciteitsproductie en in 2030 zelfs ongeveer twee derde. Ook hier wordt verondersteld dat de huidige stimulering van hernieuwbare energie (SDE+) vanaf 2020 wordt voortgezet. De groei in hernieuwbare warmte en duurzame (bio)brandstoffen gaat veel langzamer.

Daling uitstoot broeikasgassen

De verwachte reductie van de uitstoot van broeikasgassen tussen 1990 en 2020 komt net als de vorige NEV uit op 23 procent. Dit is niet genoeg om te voldoen aan het rechterlijke vonnis van 25 procent in de Urgenda-zaak. De verwachte reductie kent echter een ruime onzekerheidsmarge van 19 tot 27 procent. Deze bestaat voor een deel uit de onzekerheid over de inzet van conventionele elektriciteitscentrales. Die inzet hangt mede af van onzekere ontwikkelingen in de elektriciteitsopwekking in onze buurlanden. In 2030 is de verwachte nationale uitstoot van broeikasgassen 31 procent lager dan 1990, met een onzekerheidsmarge van 19 tot 38 procent. De forse daling op de langere termijn veronderstelt ook dat de huidige SDE+ vanaf 2020 wordt voortgezet.

Verbetering energiebesparing

Het energiebesparingseffect in 2020, door de maatregelen uit het Energieakkoord, komt uit op 75 petajoule. Daarmee wordt het doel van 100 petajoule zeer waarschijnlijk niet gehaald. Nieuwe maatregelen voor de energie-intensieve industrie, huishoudens en de sociale huursector leveren naar verwachting een extra besparing op van 22 petajoule. De besparing uit sommige andere maatregelen van het Energieakkoord is echter met 15 petajoule naar beneden bijgesteld. Daardoor ligt de totale besparing per saldo 7 petajoule hoger dan in de NEV 2016.

Van gas naar elektriciteit

Door de inperking van de aardgaswinning zal Nederland naar verwachting rond 2025 een netto-importeur van aardgas worden. Net als in de vorige NEV blijft de verwachting dat Nederland ergens tussen 2020 en 2025 netto elektriciteit gaat exporteren. Daarmee worden de rollen van de energievormen omgedraaid.

Werkgelegenheid in duurzame energie

De werkgelegenheid uit duurzame energieactiviteiten is tussen 2014 en 2016 gestegen van 46.000 naar 52.000 arbeidsjaren en neemt naar verwachting toe tot ongeveer 64.000 arbeidsjaren in 2020. Deze groei komt vooral door nieuwe investeringen in hernieuwbare energie en energiebesparing. De werkgelegenheid uit niet-duurzame (conventionele) energieactiviteiten daarentegen neemt naar verwachting af van 73.000 arbeidsjaren in 2016 tot ongeveer 62.000 arbeidsjaren in 2020. De toename van de werkgelegenheid in activiteiten gerelateerd aan duurzame energie compenseert richting 2020 dus ongeveer de krimp bij niet-duurzame activiteiten.

Het onderhavige onderzoeksrapport kun je downloaden op de website van het CBS.

Bron: CustomerTalk
0
Logo CustomerTalk

Cookie-instellingen

CustomerTalk maakt gebruik van cookies voor een optimale gebruikerservaring.

Graag vragen wij je toestemming voor het plaatsen van deze cookies.

Accepteren Meer informatie